VISSERSLATIJN

 

MIJN EERSTE SNOEKERVARING

Het zal in het najaar van 1957 geweest zijn dat ik met mijn klasgenoot Siem Poot meeging naar de boerderij van zijn vader en moeder. Die daar als boer en boerin nog echt ambachtelijk bezig waren. Vanaf de Mulo aan de Lange Nieuwstraat, in de jeneverstad Schiedam, was het dik een half uur fietsen in de richting van het tuindersdorp Kethel. Onderweg kwam je door een gehucht met de naam “de Kerkbuurt”, en ten slotte de lange Groene Weg op, richting Delft. De Kerkbuurt bestond in die jaren uit paar huisjes gebouwd rondom een onbegrijpelijk grote kerk. Het zal wel zo geweest zijn, dat deze kerk er het eerst stond en dat het buurtschap daarna zijn naam had gekregen. Tussen de kapper en een waterstokerijtje bevond zich een pand waar, boven de groen geverfde houten deur, in grijs marmer uitgehouwen de naam “Gendarmerie” stond te lezen. De benaming voor een politiebureau overgebleven uit de Franse tijd. Nog altijd was in dit onderkomen het wettige gezag gehuisvest, dat destijds werd belichaamd door veldwachter Korpel. Hij werd door de dorpsjeugd gerespecteerd, maar vooral gevreesd! Een gezagsdrager die in het dorp en een groot deel van de polder de wet, rust en orde op nauwgezette wijze handhaafde. Ten noorden van de Kerkbuurt lagen wijd verspreid enkele boerenbedrijfjes, waaronder dat van Siem’s ouders. Grasland met koetjes waar tussen een enkel werkpaard liep. Een boomgaard met loslopende kippen. En naast het erf de hooiberg met achter de boerderij een stal die ophield bij de sloot waarin witte tamme eendjes en ganzen zwommen.

De zogenaamde ruilverkaveling stond nog in de kinderschoenen. Zodat het grasland, met hier en daar een “gerief bosje” in het vlakke groen, nog doorsneden was met schitterend brede meanderende poldersloten waarin de waterplanten opzij werden geduwd door de scholen rietvoorns van het formaat “baksteen”. Hoewel ik toen al een fanatiek vissertje was, waren het niet deze fraaie “ruisers” die me met vriend Siem deden mee gaan.
Het zat namelijk zo: Op school had Siem mij verteld dat er recht tegen over z`n vaders boerderij, ingeklemd tussen de Groene Weg en de spoorlijn, een eendenkooi lag die de simpele naam “de Put” droeg. Het was natuurlijk ten strengste verboden om daar te komen. Maar ja: Hoe zijn jongens? Samen met zijn jongere broer Koos bracht hij menig vrije middag door in de Put, vissend op snoek. Hij had er volgens zijn zeggen snoeken vast geslagen die domweg niet te houden waren en die lijn en hengel hadden gebroken. Vanzelfsprekend liet ik me door Siem maar al te graag uitnodigen om eens een middagje met hem mee te gaan. Een middag met de belofte van spanning en sensatie.

Tussen door nog even iets over de snoekhengel die we daarvoor gebruikten:
Zakgeld bestond er in die dagen nog niet. Misschien bestond het wel; maar je kreeg het in ieder geval niet. Mooie of leuke dingen kopen was er dus niet bij. Je kooplust kon maximaal uitgaan naar iets van een kwartje. Dat bedrag kon je nog wel eens loskletsen van je moeder of vader. Maar voor grotere uitgaven moest de hamer op het spaarvarken worden gezet. En ook daar zat meestal niet zo gek veel geld in omdat de gleuf van het roze stenen ding uitsluitend met verjaardagen en schoolrapporten aangeboden mocht worden aan ouders, ooms en tantes. En hun gulheid was nou niet bepaald spreekwoordelijk.
Onze hengels werden dan ook praktisch kosteloos gemaakt van een “geritselde” bonenstaak die zo lang en zo recht mogelijk moest zijn. Hierin draaiden we oogjes die eerder thuis de traproeden op hun plaats hielden. (Dat er door het ontvreemden van deze onmisbare traploperattributen thuis wel eens iemand een doodssmak kon maken, was van later zorg.)

Twee spijkers aan het handvat van de houten staak, dienden als opwindsysteem voor het in kaarsvet gekookte vliegertouw, want dat was de snoeklijn. Aan het eind van de lijn monteerden we een kettinkje van koperen schakeltjes waaraan een dregje was gesoldeerd. Dit dregje kochten we, drie voor een kwartje, in de sportvis- annex dierenwinkel. De kurk van een azijnfles deed dienst als dobber. Hierin was heel simpel een gaatje geboord voor de lijn ging die werd vast geklemd met een lucifertje. En als je het heel mooi wilde maken gaf je de kurk een lik witte verf. Dat vergemakkelijkte natuurlijk het zicht op de aanbeet.

En daar gingen Siem en ik op een mooie herfstmiddag. De sloot over, en sluipend door het wilgenhout, naar de Put. Stilte was geboden om te voorkomen dat de eenden luid snaterend op zouden vliegen. Dat zou immers de aandacht van veldwachter Korpel trekken. Als hij je te grazen nam, betekende dat altijd dat je de zelfgefabriceerde hengel in beslag werd genomen, en dat je met een krachtige schop onder je kont de brede sloot over werd geholpen.
En jawel beste lezer: We hebben het over de tijd dat er nog “zinvol” geweld bestond! Een klap voor de kop of een forse schop onder het zitvlak werd door het thuisfront nog gezien als een waardevolle bijdrage tot karaktervorming.

Maar laat ik niet te veel uitweiden en terug gaan naar die woensdagmiddag van weleer.
Een paar bovenmaatse rietvoorns, die als aas moesten dienen, waren snel gevangen. Het dregje ging door het lipje, en de vis werd te water gelaten. Meestal zwom de forse aasvis, met de witte dobber achter zich aan, naar het diepe midden van de poel. Soms dronken we dit water dat schoon en zuiver was en fris en licht zurig smaakte. En nog zie ik, scherp en duidelijk zoals herinneringen soms kunnen zijn, mijn eerste aanbeet gebeuren.

Aan de beweging van de kurk was goed te zien dat de aasvis onrustig werd. Siem vertelde me dat er dan een snoek in de buurt was. En jawel hoor: Een grote kolk in het water oppervlak en plop weg was de witgeverfde kurk. “Hobbel” zei Siem, en nu een minuutje wachten. De snoek moet eerst de vis in zijn bek keren en slikken. Dan pas moet je de lijn op de spijkers wikkelen en strak trekken om met een ram vast te slaan en de lijn strak te houden tot de snoek moe wordt. Vervolgens langzaam en voorzichtig naar je toe trekken en hem op de kant slepen. Het betekende wel het einde van de snoek want er werd toen nog gevist voor de pan.!

Ik overdrijf niet als ik zeg dat deze minuut niet alleen tot de allerlangste maar ook tot de allerspannendste van mijn leven behoort. Op instructie van mijn schoolvriend trok ik strak en sloeg de bonenstaak hoog in de lucht. Een gigantische snoekenkop kwam schuddend boven water. De lijn knapte met een droog en kort “pang” geluid. Een plons en de snoek was verdwenen inclusief de dreg en het kettinkje.

Wat ik toen nog niet snapte was dat het kettinkje te kort was en ik de snoek te lang had laten slikken, zodat hij met zijn vlijmscherpe tanden het vette vliegertouw simpelweg had doorgesneden.
Het zal wel mijn kinderverbeelding zijn, maar voor mij was dit de allergrootste snoek waar ik ooit contact mee heb gemaakt. Dus zeg maar, met mijn hedendaagse ervaring en snoekkennis, moet hij dan zo`n 125 cm zijn geweest. Realistisch gesproken, en mijn jeugdfantasie relativerend, kom je dan op hoogstens 80 cm. Maar voor mij blijft dat diep gerespecteerde beest uit 1957, tot aan mijn dood toe, de koningssnoek van mijn leven, die het ook nog eens, terecht, van me had gewonnen. Moge God hem of haar gezegend hebben met een zeer talrijk nageslacht.

Vele mooie snoekervaringen heb ik daarna nog beleefd. Zoals een schitterend weekend op de Botshol met vier snoeken boven de magische meter grens. De grootste was zelfs 117 cm. Gevangen aan een mooi Fair Play hengeltje op een Ondex nummer 4 spinner. Here m’n tijd. Dat is wat je noemt een “piscatoraal orgasme.”

Maar die woensdagmiddag in de herfst van 1957 in de eendenkooi samen met Siem? Wat een heerlijke herinnering .


Rien Faasse